In de heiligenkalender wordt de H. Anna op 26 juli samen met haar man H. Joachim vereerd als ouders van Maria, de moeder van Jezus. De Bijbel vermeldt niets over hen, wel o.a. het apocriefe (=verborgen, niet behorend tot de officiële lijst van 73 bijbelboeken) evangelie van Jacobus (150 nC). Zij waren welgesteld, gaven veel aan de armen en de tempel, maar ze hadden een groot verdriet: ondanks aanhoudend gebed kregen zij geen kinderen. Ze werden er zelfs door hun eigen dienstboden op aangekeken. Toen Joachim eens zijn offer in de tempel wilde opdragen, zou hij openlijk zijn teruggewezen. Joachim vlucht in de eenzaamheid en klaagt God zijn nood. Een engel verschijnt en verkondigt: Uw gebed is verhoord Joachim. U zult een dochter krijgen en u moet haar de naam Maria geven; zij zal van haar kindsheid af de Heer toegewijd worden en zij zal vervuld worden van de H. Geest. Op hetzelfde uur had Anna eenzelfde verschijning. Beiden haastten zich naar de tempel om God te danken.
De schedel van H. Anna wordt bewaard in Dürren (tussen Aken en Keulen) en relikwiën=relieken=overblijfselen zijn in Apt en Sainte-Anne d' Auray (Frankrijk), waar zij in de 17e eeuw zou zijn verschenen aan een eenvoudige boer en dat de paus in 1996 heeft bezocht. Anna komt terug in plaatsen als Sint Annaland en Sint Annaparochie.
De H. Anna wordt vereerd als beschermheilige van aanstaande moeders. Voor meisjes gold vroeger: Naar Sint-Anneken, gaat men om een manneken.
De H. Jacobus Lacops is geboren in 1542 in Oudenaarde (België) en gestorven op 9 juli 1572 te Den Briel. Na aanvankelijk in de Norbertijner abdij te Middelburg te zijn ingetreden, werd Jacobus in 1566 protestant en schreef een pamflet tegen het katholicisme. Door zijn vader en broer (ook norbertijn in Middelburg), werd hij weer katholiek en overgeplaatst naar het voormalige Norbertijner klooster te Beesd. Later werd hij benoemd als kapelaan in Monster, waar de norbertijn Adrianus van Hilvarenbeek pastoor was. Op 5 juli 1572 overvielen de z.g. Watergeuzen (tijdens de Tachtigjarige Oorlog het gedeelte van de geuzen dat, uitgeweken voor Alva, een bestaan als kaper leidde) de pastorie en versleepten Jacobus en zijn pastoor naar Den Briel, waar zij werden gemarteld en opgehangen, hoewel Willem van Oranje hun onmiddellijke vrijlating had gelast.
Hetzelfde lot trof ook zeventien andere geestelijken, waarvan in de nacht van 26 op 27 juni vijftien door de watergeuzen in Gorcum waren gevangen genomen. Na acht dagen van mishandeling, foltering en spot werden zij op 4 juli in onderkleding op een schuit naar Den Briel vervoerd. Aldaar kwamen er dan nog vier geestelijken bij, onder wie Jacobus en zijn pastoor. Op 6 juli werden de negentien geestelijken verhoord door de calvinistisch gezinde Lumey van der Marck, admiraal van de Watergeuzen die op 1 april 1572 Den Briel op de Spanjaarden had veroverd. Op 9 juli om één uur 's nachts werden de negentien, ondanks het tegenbevel van Willem van Oranje, naakt in een turfschuur opgehangen vanwege het geloof in het pauselijke gezag en de werkelijke tegenwoordigheid van Jezus Christus in de eucharistie. Het laatste was standvastig verdedigd door Jacobus en zijn pastoor, waardoor zij op afbeeldingen ook wel met een monstrans worden voorgesteld.
In de kerk is Jacobus afgebeeld met als attributen de monstrans en de strop om de hals. Relieken van hen worden bewaard in Brielle en Gorinchem. Hun zaligverklaring vond plaats in 1675 en Pius IX heeft hen in 1867 heilig verklaard. Sindsdien is het z.g. martelveld te Brielle een bedevaartplaats. In de heiligenkalender wordt Jacobus Lacops samen met de andere martelaren van Gorcum op 9 juli als heilige vereerd.
De H. Theresia werd geboren op 28 maar 1515 te Avila en is gestorven op 4 oktober 1582 te Alba de Tormes in Spanje. Theresia bleef maagd en trad op haar 20e jaar in, in het karmelietessenklooster te Avila. Omdat zij gedreven werd door een verlangen naar het volmaakte, voegden velen uit de eigen orde en uit de wereld zich bij haar. Ondanks veel tegenstand hervormde zij de karmelietenorde, vaak met medewerking van de H. Johannes van het Kruis (1542-1591, landgenoot, feestdag op 14 december).
Theresia was begenadigd met een zeer hoog en intens mystiek leven (haar levensmotto was aut pati, aut mori = lijden of sterven). In de St. Pieter te Rome staat een beeld van haar met als onderschrift Mater Spiritualium = Moeder van hen die een geestelijk leven leiden. Dit heeft ze o.a. te danken aan haar vele geestelijke geschriften, zoals Weg der volmaaktheid (over het gebedsleven, 1565), Kasteel der Ziel (stadia van het mystieke leven, 1577), die behoren tot de klassiekers in de Spaanse letterkunde. Zij stichtte 18 karmelietessenkloosters (het eerste van de ongeschoeide karmelietessen te Avila in 1562) en ook voor de mannelijke tak van de orde wist zij de hervorming door te voeren. In een visioen ontving zij de mystieke doorboring van haar hart met een pijl door een engel, welk feit in de orde met een eigen feest op 27 augustus wordt gevierd. Haar ongeschonden lichaam is begraven in de karmelietenkerk te Avila. Haar hart met de geheimzinnige wonde bevindt zich in Alba de Tormes.
In 1622 is zij heilig verklaard en in 1970 is zij door paus Paulus VI samen met H. Catherina van Siena (1347-1380) tot kerklerares uitgeroepen. In de kerk is zij afgebeeld met de attributen van een vlammend hart in haar rechter- en een boek in haar linkerhand. Haar feestdag is op 15 oktober. Theresia van Avila wordt ook wel de grote Theresia genoemd; de kleine Theresia is de H. Theresia van Lisieux (1873-1897) in Frankrijk, wier feestdag in de heiligenkalender op 1 oktober wordt gevierd.
Als laatste heilige aan de linkerkant aan de pilaren in de O.L. Vrouw Geboortekerk komen we tegen de Koningin van de H. Rozenkrans. Naast feesten die aansluiten bij belangrijke momenten in Maria's leven (Maria Geboorte, Maria Ten Hemelopneming e.d.) is dit een van de vele eretitels die Maria heeft.
Dit feest is officieel ingesteld naar aanleiding van de overwinning op de Turkse vloot bij Lepanto (het huidige Nafpaktos in Griekenland) op 7 oktober 1571. Bij deze slag versloegen christelijke troepen de Turkse Ottomanen. Pius V (paus 1566-1572) schreef deze overwinningop de Turkse agressie toe aan de hulp van de Maagd Maria, verkregen door het bidden van de Rozenkrans. Dit gebed werd vooral gepropageerd door de Orde der Dominicanen. Zij leerden de gelovigen een meditatiemethode waarbij de mysteries van Christus worden overwogen door middel van het veelvuldig herhalen van het Weesgegroet.
De pausen hebben het bidden van de rozenkrans steeds aangespoord. Leo XIII (paus 1878-1903) heeft er zelfs negen encyclieken aan besteed. Maria heeft zelf bij al haar verschijningen het belang van de rozenkrans onderstreept. Paus Pius XI (1922-1939) heeft in zijn encycliek van 29 september 1937 sterk aangedrongen op het bidden van de rozenkrans, om rampen af te weren die onze wereld bedreigen. Ook paus Johannes Paulus II heeft in 2002 in een brief het belang van de rozenkrans onderstreept.
Tegenwoordig is men gewoon de rozenkrans (zo genoemd omdat Maria de weesgegroeten uit de mondenvan haar dienaren aanneemt om ze als rozen aan een snoer te rijgen; met dit snoer bekranst ze zich vervolgens) vooralin de maanden mei en oktober te bidden. Het gebruik van de rozenkrans dateert uit de 11e eeuw. Ze bestaat uit vijftig weesgegroeten en vijf Onze Vaders. In de 14e eeuw werd er na tien weesgegroetjes het Onze Vader gebeden. De overweging van de geheimen dateert eveneens uit die tijd. Het vestigt onze aandacht op de overweging van het mysterievan Christus, waarin de maagd Maria ons is voor gegaan doordat zij op unieke wijze verbonden wasmet de menswording, het lijden en sterven, en de glorievolle verrijzenis van Gods Zoon.
Mocht u zich niet aangetrokken voelen tot deze vorm van devotie, dan loont het toch de moeite eens de litanie (Gr. litaneuein=smeken; een gebed met korte aanroepingen) van de H. Maria, die vaak na het rozenhoedje wordt gebeden, te overwegen. Het is een gebed met mooie beelden van Maria, waarin elke gelovige wel iets kan vinden wat hem/haar aanspreekt. Wat denkt u van Spiegel van gerechtigheid, Toevlucht van de zondaars, Troosteres van de bedroefden?
Er zijn vele heiligen met de naam Elisabeth, waaronder de meest bekende de bijbelse Elisabeth, de moeder van Johannes de Doper en nicht van Maria in het eerste hoofdstuk van Lucas. Dankzij de attributen (kentekenen), n.l. de koningskroon, de scepter en de rozen in de schoot van haar mantel duid ik deze Elisabeth als Elisabeth van Portugal ofte wel Isabella van Arágon, die leefde van 1271-1336. Ze was de dochter van koning Pedro III van Arágon en achternicht van Eisabeth van Thuringen (of van Hongarije), naar wie de kathedraal in ons bisdom is vernoemd. Zij werd op 1282 als kind (ze was 11 jaar!) uitgehuwelijkt aan koning Dionysius van Portugal en kreeg twee zoons.
Haar huwelijk was moeilijk door de publieke ontrouw van haar man, maar zij behandelde zijn onwettige kinderen met liefde. Zij bemiddelde in de (gewapende!) strijd tussen haar man en haar zoon. Na de dood van haar man in 1325 gaf zij haar bezit aan de armen en trad in in het door gestichte klooster van de clarissen te Coimbra. Zij bouwde in haar land kloosters, kerken en hospitalen voor kinderen en armen. Maakte bedevaarten naar Santiago de Compostella en deelde aalmoezen uit. Vlak voor haar dood in 1336 bemiddelde zij als 'moeder van de vrede' tussen de koningen van Castilië.
Haar naar het schijnt onaangetaste stoffelijk overschot bevindt zich in de H. Clara a Nova kerk te Coimbra. De kroon en de scepter duiden op haar status als koningin de rozen in haar schoot op haar kuishuid tegenover haar man, die zij tot zijn dood trouw bleef en hij haar niet. In 1625 werd zij door Paus Gregorius XV heilig verklaard. Haar gedenkdag op de kerkelijke kalender is 4 juli.
Van C(a)ecilia is weinig met zekerheid bekend. Ze was een martelares, die leefde in de 2e of 3e eeuw. Volgens de legende is zij identiek met de stichteres van de titelkerk van de H. Caecilia in Travestere in Rome. Tegen haar zin zou ze zijn uitgehuwelijkt aan de heiden Valerianus. Nadat ze hem had bekeerd, besloot ze een maagdelijk leven te leiden. Enkele dagen na het overlijden van haar man en diens broer Tiburtius werd zij in haar badkamer onthoofd, omdat zij weigerde aan de afgoden te offeren. Onder de indruk van hun standvastigheid bekeerde zich hun beul, de heiden Maximus.
Het lichaam van Ceacilia werd begraven in de catacomben van Calixtus aan de Via Appia en onder paus Paschalis I omstreeks 820 overgebracht naar de titelkerk. In 1599 vond men in een sarcofaag (stenen lijkkist) aldaar het lijk van een jonge vrouw, nog volkomen intact. De hals vertoonde een diepe wonde, de kleding bloedsporen. Beroemd is het verhaal over haar vingers: de ene hand laat drie, de andere één uitgestrekte vinger zien. Dat zou het symbool zijn voor haar geloof in de H. Drie-eenheid.
Omdat in het niet door de kerk erkende verhaal van haar lijden (Passio) sprake is van profane bruiloftsmuziek (zij zou hebben gehuiverd van de muziek op haar bruiloft) werd zij in de Middeleeuwen patrones van de kerkmuziek. Het is niet bekend of zij muzikaal was of een instrument bespeelde. Zij wordt vaak afgebeeld met een orgel, hier in de kerk met een harp. Het orgel gaat terug op een verkeerd begrepen tekst in de liturgie in de 8e eeuw rond haar feestdag: in plaats van "terwijl er muziek weerklonk" las men "terwijl zij orgel bespeelde, bezong de maagd Caecilia slechts de Heer." Vanwege de grote verspreiding van haar verering werd zij opgenomen in de canon (vaste reeks van gebeden van Prefatie tot Onze Vader) van de eucharistieviering, heden ten dage in het Eucharistisch gebed IB. Vele muziekstukken zijn door grote componisten op haar feestdag uitgevoerd. En hoeveel koren en muziekgezelschappen zijn niet naar haar vernoemd? Haar feestdag is 22 november.
Franciscus de (= van) Sales werd in 1567 in Thorens (Frankrijk) vlakbij Genève. Hij volgde het jezuïetencollege in Clermont en maakte als student een crisis door van een maand over iets, dat de meeste christenen in Nederland zich niet meer kunnen voorstellen, n.l. het geloofspunt van de absolute predestinatie (= voorbestemming): hij meende door God voorbestemd te zijn voor de verdoemenis, de eeuwige verwerping. Hij kon hierbij niet slapen of eten. Hij overwon de crisis door het Mariagebed Memorare ("Gedenk, o allermildste maagd Maria, dat het nog nooit gehoord is, dat iemand tot U zijn toevlucht nam, die om uw hulp kwam smeken en om uw bijstand vroeg, door U in de steek werd gelaten").
Na twee jaar rechten te hebben gestudeerd te Padua, besloot hij tegen de zin van zijn vader priester te worden en hij werd in 1594 gewijd. Als proost (voorzitter) van het kapittel (de gezamenlijke kanunniken=koorheren) van de kathedraal in Genève, waar hij in de dorpen in de omgeving vele duizenden protestanten tot de r.-k. kerk terugbracht. In 1602 wordt hij bisschop van Genève, maar vestigt zich in Annecy, omdat hij niet in Genève werd toegelaten. Als bisschop werkte hij aan de uitvoering van de besluiten van het concilie van Trente (1545-1563) voor de mede onder druk van de kritiek van de Hervorming van Luther e.a. hervorming van de r.-k. kerk. Zo hebben catechismusonderricht, een goede opleiding van priesters en voortdurende prediking, het schrijven van vele brieven en boeken (1608 een inleiding tot het devote leven en 1616 over de liefde tot God) zijn aandacht. In deze boeken verwerkt hij zijn vernieuwende ideeën over de lekenascese.
Om zijn goedheid, beminnelijkheid en welbespraaktheid zochten velen zijn geestelijke leiding. Samen met Johanna Frémiot, baronnesse van Chantal en weduwe met zes kinderen, van wie hij geestelijk leidsman was, stichtte hij de orde der visitandinnen (een gemeenschap voor bezoek aan de vele armen en zieken). Dit initiatief zou pas door de H. Vincentius a Paulo (1581-1660) met zijn Zusters van de Liefde verwezenlijkt worden.
In 1622 stierf hij te Lyon door een beroerte en werd te Annecy in de kerk van de Visitatie begraven, dat al snel een bedevaartsoord werd. In 1665 is hij heilig verklaard en in 1877 als kerkleraar uitgeroepen. Van deze laatste waardigheid getuigt het boek van het beeld in de kerk. Zijn feestdag is op 24 januari.
Er blijken 18 personen op de heiligenkalender te staan die Theodorus (Grieks 'geschenk van God') heten. Helemaal zeker ben ik niet maar aan de hand van zijn attributen (mijter, staf en (bijbel)boek, waaruit blijkt dat het hier een bisschop betreft en vanwege het boek om een evangelist/leraar) en hier en daar wat vragen, denk ik dat het de H. Theodorus van Canterbury is.
Theodorus leefde van ca. 602 (Tarsus, ook de geboorteplaats van de apostel Paulus, in het zuiden van het huidige Turkije) tot 690 (Canterbury in Engeland). Zijn vorming had hij in Athene en hij vestigde zich als monnik in Rome. Hij werd in 668 door paus Vitalianus (657-672) naar Engeland gezonden, waar pestepidemien vele priesters en bisschoppen hadden geveld en het geloof een enorme knauw had gekregen, om de Angelsaksische Kerk te reorganiseren. Hij wordt beschouwd als de tweede stichter van de zetel van Canterbury; de eerste was de H. Augustinus (een benedictijnse monnik te Rome) in 597.
In die reorganisatie van de kerk aldaar slaagde hij ondanks veel moeilijkheden: als aartsbisschop gelukte het hem ondanks de woelige synode te Whitby de katholieke kerkstructuur met nieuwe bisdommen en de Romeinse liturgie in te voeren. Ook stichtte hij de beroemde school van Canterbury welke samen met de school te York bekende Angelsaksische missiemonniken, onder wie de voor Nederland bekende Wilfried (634-709), Willibrordus (658-739) en Bonifatius (675-754), vormden die later in de 8e eeuw de Germaanse volken op het vasteland missioneerden. Ook dit punt kan een aanwijzing zijn dat dit heiligenbeeld de persoon van H. Theodorus van Canterbury is.
Zijn sarcofaag (Grieks: 'vleesetend'; stenen lijkkist) is te bekijken in Ravenna (Italië). Zijn feestdag is 19 september.
De aartsengel Michaël is in de joodse en de christelijke traditie de voornaamste onder de engelen. Michaël komt van het Hebreeuwse woord mikal'el, dat betekent: "wie is als God." In de bijbel treedt hij op als een figuur in bijbelse visioenen. In het Oude Testament in Dan. 10,13.21 en 12,1, waar hij "de grote vorst" is, vertegenwoordiger en beschermer van Israël. In het Nieuwe Testament in Judas 9 en Apok. 12,7, waar de strijd tussen Michaël en zijn engelen in de hemel tegen de duivelse Draak en zijn engelen wordt beschreven.
Vanaf de tijd van Karel de Grote (768-814) werd Michaël beschouwd als de beschermengel van het westerse keizerrijk, hoewel zijn verering al in de 4e eeuw in 't oostelijke keizerrijk (Constantinopel) was opgekomen. In de Middeleeuwen fungeerde hij in het volksgeloof als de zielenbegeleider van de overledenen naar het hemelse paradijs, waarvan hij tevens de bewaker was en de zielenweger bij het Laatste Oordeel. Michaël is bekend vanwege zijn verschijningen. Tijdens een pestepidemie in Rome anno 590, die als een straf van God werd gezien, verscheen Michaël als een krijgsman op het Mausoleum van keizer Hadrianus. Hij maakte een einde aan de plaag door zijn zwaard in de schede te steken. Sindsdien heet het mausoleum Castel Sant' Angelo (engelenburcht). Vaak was het zijn bedoeling hiermee een plaats aan te wijzen, waar ter ere van hem een kerk gebouwd moest worden. Hij had daarbij een voorkeur voor bergen. Zo zijn er in Italië kerken voor hem gebouwd op de berg Gargano in zuidoost Italië, nu een beroemde bedevaartsplek: Monte Sant' Angelo. Een grote, toeristische trekpleister is nog steeds de Mont Saint Michel in Normandië. In Nederland is de Michaëlskapel in de domtoren in Utrecht.
Voor een gewone heilige geldt diens sterfdag als liturgische feestdag, maar het feest van Michaël, samen met de andere twee in de bijbel genoemde engelen Gabriël (Luc. 1,19-26) en Rafaël op 29 september, gaat terug op de datum van de kerkwijding op de Gargano. Het feest is in het Westen vanaf de 5e eeuw bekend.
Zoals ook in de O.L. Vrouw Geboortekerk, wordt Michaël meestal gevleugeld afgebeeld in volle wapenrusting, terwijl hij de draak aan zijn voeten met een lans doorsteekt. Verschillende strijdbare groepen en beroepen hebben hem als schutspatroon gekozen, maar hij geldt vooral als één van de beschermheiligen van de Katholieke Kerk.
Aloysius van Gonzaga, hier met als attribuut in zijn linkerhand het kruisbeeld als teken van zijn rein en deugdzaam leven, leefde van 1568 tot 1591 en behoorde via zijn vader tot het vorstelijk geslacht van de Gonzaga's van Mantua in de Povlakte in Italië. Hij legde als tienjarige page aan het hof te Florence de gelofte van zuiverheid af.
Na de tegenstand van zijn vader te hebben overwonnen, deed hij in 1585 afstand van zijn erfrecht en trad in bij de jezuïeten. Te Rome volgde hij het noviciaat en studeerde hij theologie. De theoloog Robertus Bellarminus (1542-1621), o.a. bekend om zijn catechismus en optredend in het proces tegen Galileo Galilei, was hier enige tijd zijn leermeester.
In 1589 bemiddelde Aloysius in een familievete tussen zijn vader en de hertog van Mantua. Bij de verpleging van de pestlijders liep hij een besmetting op, waaraan hij stierf. In 1726 werd hij heilig verklaard en in 1729 uitgeroepen tot patroon van de studerende jeugd. Zijn feestdag is 21 juni.
Antonius van Padua leefde van 1195 tot 1231. Op 15-jarige leeftijd trad hij in bij de Augustijnen van Sao Vicente in Portugal. Hij vroeg in 1222 overplaatsing aan naar de priorij van Santa Cruz in Coimbra en studeerde daar theologie. De overbrenging van de overblijfselen van de relikwieën van de eerste franciscaanse martelaren van Marokko naar Coimbra deed hem besluiten over te gaan naar het franciscaanse Antoniusklooster aldaar met de wens in Marokko te gaan werken. Hij nam de naam van de kloosterpatroon aan en zo werd hij vanaf 1220 Antonius.
Ziekte dwong hem na enkele weken uit Marokko terug te keren, maar tijdens de terugreis dreef de wind het schip naar Messina in Sicilië. Hij nam deel aan het kapittel, vergadering van zijn orde in Assisi, waarna hij werd opgenomen in de kluizenarij van Montepaolo als kokshulp en in het huiswerk. Na zijn priesterwijding in 1222 werd men zijn gave tot preken gewaar, waarmee hij de volgende jaren preekte tegen de woeker en dwaalleraren in Noord-Italië in Zuid-Frankrijk, waar hij ook veel ketters (Katharen en Albigenzen) bekeerde. Het volk noemde hij de "ketterhamer".
Franciscus benoemde hem tot theologiedocent van zijn orde o.a. te Bologna. Na in 1227 provinciaal van zijn orde in Noord-Italië te zijn geworden, vestigde hij zich definitief in Padua. Een jaar na zijn overlijden werd hij door paus Gregorius IX al heilig verklaard en Pius XII nam hem in 1946 op onder de kerkleraren.
Als beeld wordt Antonius op vele wijzen voorgesteld, b.v. zoals in de kerk, als een jonge lange slanke man in een franciscaner habijt en met het kind Jezus op de arm. In de volksdevotie werd Antonius zeer populair als wonderdoener en daardoor ook als patroon van verloren zaken: vergelijk het schietgebedje: "Heilige Antonius, goede vrind, geef dat ik mijn (verloren voorwerp) vind." En Antoniusbrood was (sinds de 19e eeuw) een aalmoes voor de armen met het doel om op voorspraak van de H. Antonius verhoring bij God te vinden. Zijn feestdag is 13 juni.
Theresia van Lisieux (eigenlijk Maria Françoise Thérèse Martin) is geboren op 2 januari 1873 te Alençon in Normandië. Zij koos als bijnamen Theresia van het Kind Jezus en de "kleine Theresia" ter onderscheiding met de "grote Theresia" (=Theresia van Avila, van wie u ook een beeld aan een van de pilaren aantreft). Zij was de jongste uit een gezin van negen kinderen, waarvan er vier jong stierven, en ze was vaak zwak en ziekelijk. Toen ze vier jaar was, verloor ze haar moeder en van acht tot dertien jaar was ze op een kostschool, waar ze veel menselijke genegenheid miste. Weer thuis had ze voortdurend hoofdpijn en koorts, waarvan ze naar haar eigen zeggen op 13 mei 1883 door de "lach van Maria" was genezen. Op haar vijftiende trad ze, mensenschuw en vol met angsten, als jongste van de andere zussen in in het klooster van de Karmelietessen in het nabijgelegen Lisieux, waar ze uiteindelijk ook meester van de novicen (Lat. novocius=nieuw, jong; iemand met een proeftijd voor kandidaat-religieus) werd. Het evangelie en de werken van Johannes van het Kruis (Spanje 1542-1591) waren haar belangrijkste inspiratiebronnen. Haar geestelijke weg was die van de kleine weg: de weg van de gewone kleine dingen, die zij met kinderlijke eenvoud nederig en vol vertrouwen voor God verrichtte. In haar intense gebed vond zij de kracht haar lijden te dragen. Op het feest van de H. Drieëenheid op 9 juni 1895 gaf zij zichzelf als "offerande aan de barmhartige liefde van God": ze bood God haar leven aan voor het geestelijk welzijn van de mensen en voor de uitbreiding van de Kerk.
Theresia van Lisieux werd na haar dood (1897), die intrad na een door haar aanvankelijk ongewenste behandeling van tuberculose, een volksheilige waardoor haar officiële heiligverklaring reeds 28 jaar na haar dood in 1925 kwam. Haar door haar zuster sterk bewerkte biografie De geschiedenis van een ziel uit 1898 werd zeer populair (vertalingen in meer dan 50 talen), zo ook Lisieux als bedevaartsoord vanwege de kapel (haar begraafplaats) en de grote basiliek, waar ook vele meldingen van wonderen en gebedsverhoringen zijn gedaan. In 1997 werd zij als derde vrouw na de H. Catherina van Siena (1347-1380) en de bovengenoemde Theresia van Avila als kerkleraar uitgeroepen. Theresia wordt vaak afgebeeld in een bruin habijt, witte mantel en zwarte sluier met kruisbeeld en rozen in haar hand als symbool van haar liefde tot God, zo ook op het beeldje in de kerk. Ze is patroonheilige=beschermheilige van de missie en de missionarissen. Haar feestdag op de heiligenkalender is 1 oktober.
auteur Jos Sterk